aanmeld knop
dot

Het geloof in de vrijheid van meningsuiting

logo-tekst.jpeg
De Grondwet waarborgt de grondrechten van het gehele Nederlandse volk. Eén van de grondrechten is de vrijheid van godsdienst (6 Gw). Dit recht wordt ter discussie gesteld, omdat het overbodig zou zijn. De vrijheid van meningsuiting (7 Gw) zou de vrijheid van godsdienst al omvatten. In dit essay leg ik uit of het recht van meningsuiting genoeg is of dat het recht op godsdienst toch niet nutteloos is.

Vrijheid van godsdienst is een grondrecht dat in artikel 6 van de Grondwet is verankerd. Het wordt echter ter discussie gesteld door De Beer in het blad van het wetenschappelijk bureau van de PvdA.[1] Hij pleit daarin voor afschaffing van dit grondrecht. De vrijheid van meningsuiting zou immers al voldoende bescherming bieden aan gelovigen en de afschaffing heeft mede tot gevolg dat de rechter niet meer hoeft te treden in de vraag, of de godsdienst of levensbeschouwing, waarop een justitiabele zich beroept, daadwerkelijk een godsdienst of levensbeschouwing is. Het is echter de vraag of vrijheid van meningsuiting daadwerkelijk dezelfde bescherming biedt aan gelovigen als de vrijheid van godsdienst en of de voorgestelde afschaffing wenselijk is. Om dit te kunnen beantwoorden in een heldere conclusie, zal ik eerst de historie en inhoud van 6 Gw beschrijven en daarna de inhoud van 7 Gw. Hierna beschrijf ik godsdienstvrijheid uit het EVRM en IVBPR en daarna de manier van rechterlijke toetsing aan 6 Gw.

 

Historie van artikel 6 Gw

Vrijheid van godsdienst is het oudste grondrecht dat er is. Het kent zijn oorsprong in de godsdienststrijd van de 16e en 17e eeuw. Het is in 1814 in de Grondwet opgenomen en bood daarmee aan alle bestaande godsdiensten een gelijkwaardige bescherming.[2] In de huidige Grondwet is naast de vrijheid van godsdienst ook de vrijheid van levensovertuiging opgenomen.

 

Inhoud van artikel 6 Gw

Het eerste lid waarborgt de vrijheid voor een ieder om een godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, te belijden. Het omvat meerdere vrijheden. Ten eerste beschermt 6 Gw de vrijheid om een godsdienstige overtuiging te hebben, maar ook deze niet te hebben. Ten tweede beschermt 6 Gw de vrijheid om deze overtuiging te uiten, zowel individueel als in groepsverband.[3] Ten derde beschermt 6 Gw de vrijheid om de overtuiging uit te dragen en over te dragen.[4] Ten vierde beschermt 6 Gw de vrijheid voor het oprichten en inrichten van organisaties waarbinnen genoemde manifestaties van die overtuiging plaats kunnen vinden.[5] Ten vijfde beschermt 6 Gw het op een andere manier naar die overtuiging gedragen voor zover dat uitdrukking geeft aan die overtuiging.[6] Het is enkel mogelijk om beperkingen te stellen bij een wet in formele zin.[7] Het tweede lid geeft de mogelijkheid om te delegeren aan lagere wetgevers als het gaat om beperken van belijdenisvrijheid buiten gebouwen en besloten plaatsen.[8] De beperking moet wel vallen onder de gronden die gegeven zijn met het oog op de bescherming van een bepaald doel.

 

Inhoud van artikel 7 Gw

Artikel 7 Gw beschermt de vrijheid van meningsuiting. Het eerste lid beschermt de zogenaamde persvrijheid, die zowel het vervaardigen als het verspreiden van vastgelegde gedachten en gevoelens impliceert. Het gaat hier om elke meningsuiting die is vastgelegd en zonder bijzondere middelen kenbaar kan zijn voor anderen.[9]  Ook andere dan door de drukpers vastgelegde en geopenbaarde gedachten en gevoelens kunnen hieronder vallen.[10]

Het tweede lid verbiedt elke vorm van censuur voor radio en televisie. Dit omvat het gelijktijdig uitzenden van boodschappen aan meerdere personen, die deze door middel van radio en televisie ontvangen.[11]

Het derde lid is de restcategorie en verbiedt alle andere vormen van censuur op de openbaring van gedachten en gevoelens. Het gaat hier om andere dan in voorgaande leden genoemde middelen.[12]

7 Gw geldt net als 6 Gw niet absoluut, ook hier zijn beperkingen mogelijk.[13]

 

EVRM en IVBPR

Door het verbod om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet,[14] is het mogelijk voor de wetgever om aan de grondrechten alle beperkingen te stellen die hij nodig acht.[15] Toch kunnen wetten in formele zin getoetst worden aan grondrechten, namelijk aan de grondrechten die te vinden zijn in het verdrag.[16] De vrijheid van godsdienst is onder andere omvat in artikel 9 van het EVRM en artikel 18 van het IVBPR.[17]

 

Toetsing rechter

Ten tijde van de verzuiling was het, door het beperkte aantal godsdiensten, niet moeilijk om te bepalen wat een godsdienst was. Vanaf de jaren ’60 zette de ontzuiling echter in. Hierdoor kwam er steeds een grotere verscheidenheid aan godsdiensten en religieuze groeperingen. Het werd hierdoor lastig om te bepalen wat er wel en wat er niet binnen de reikwijdte van een godsdienst in de zin van 6 Gw valt.[18] In de jurisprudentie zijn er dan ook vele voorbeelden te vinden, waar de rechter een oordeel velt of een aangevoerde godsdienst of levensbeschouwing ook werkelijk een godsdienst of levensbeschouwing is.[19]

Om ervoor te zorgen dat vreemde godsdiensten of levensbeschouwingen niet zomaar kunnen worden uitgesloten door de rechter, past deze interpretatieve terughoudendheid toe. Dit houdt in dat de uitleg die wordt gegeven door de betrokkene aan zijn gedraging, belangrijk is voor de uiteindelijke beoordeling of de gedraging onder een godsdienst of levensbeschouwing valt. Door deze terughoudendheid is het niet enkel aan de organen van de overheid om te stellen wat er onder een godsdienst of levensbeschouwing verstaan dient te worden. Naast deze uitleg kan de rechter ook refereren aan de uitleg die door de in de desbetreffende casus bevoegde instantie is gegeven,[20]  zodat er een bevestiging of ontkenning kan worden verkregen voor de juistheid van de uitleg van de justitiabele. Dit kan natuurlijk enkel indien het evident is wie de bevoegde instantie is. Uiteindelijk kijkt de rechter of de uitleg die hem is bekomen, hem waarschijnlijk lijkt.[21] Als dit het geval is, dan zal hij stellen dat het om een gedraging gaat die onder een godsdienst of levensbeschouwing valt en derhalve 6 Gw kunnen toepassen.[22] Zo niet, dan zal hij concluderen dat er geen sprake is van een godsdienst of levensbeschouwing en derhalve 6 Gw niet kunnen toepassen.

 

Conclusie

Dit alles bezien te hebben, keren we terug naar hetgeen De Beer schreef. De Beer stelt dat artikel 7 Gw dezelfde bescherming biedt aan gelovigen als dat 6 Gw dat doet. Dit is onjuist. Het kan zo zijn dat er soms een samenloop is van 6 Gw en 7 Gw, maar dat is zeker niet altijd zo. De belijdenis van een godsdienst of levensbeschouwing gaat verder dan het enkel openbaren van gedachten en gevoelens. Enkel wanneer de religieuze handeling als het uiten van een mening is op te vatten, wordt er bescherming geboden door 7 Gw. In elk ander geval zal 7 Gw onvoldoende bescherming bieden. 

De Beer stelt daarnaast dat door de afschaffing van 6 Gw, de rechter niet meer in de vraag hoeft te treden, of de godsdienst of levensbeschouwing, waarop een justitiabele zich beroept, daadwerkelijk een godsdienst of levensbeschouwing is. Dit is ook niet helemaal juist. De rechter past nu de interpretatieve terughoudendheid toe. Hierdoor hoeft de rechter enkel te oordelen of de uitleg van de justitiabele of de bevoegde instantie hem waarschijnlijk of juist onwaarschijnlijk lijkt.

Het heeft ten slotte ook geen zin om 6 Gw af te schaffen, want dat betekent immers niet dat 9 EVRM en 18 IVBPR ook verdwijnen. Hier zou dan nog steeds beroep op gedaan kunnen worden. Dit alles lijkt me voldoende om de voorgestelde afschaffing onwenselijk en onzinnig te achten.



[1] P. de Beer, ‘Waarom vrijheid van godsdienst uit de grondwet kan’, Socialisme en Democratie 2007/10, P. 18-24.

[2] B.P. Vermeulen, ‘Artikel 6 Gw’, in: A.K. Koekkoek e.a. (red.), De Grondwet: een systematisch en artikelgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 93-94.

[3] Bijvoorbeeld het deelnemen aan religieuze handelingen.

[4] Hierbij kan vooral gedacht worden aan onderwijs, opvoeding en verkondiging.

[5] Bijvoorbeeld het zelf reguleren van de organisatie binnen een kerk. Wel dient hier de Wet gelijke behandeling gerespecteerd te worden.

[6] Voorschriften van kleding en voedsel bijvoorbeeld. Het ritueel slachten valt ook onder de vrijheid van 6 Gw: CRvB 23 april 1986, AB 1986, 37.

[7] Ook kan 6:162 BW beperkingen stellen aan 6 Gw. Bijvoorbeeld: HR 5 juni 1987, AB 1988, 276 (Goerees). De Goerees stelden dat het Joodse volk de Holocaust zelf over zich had afgeroepen. Zij beriepen zich op godsdienstvrijheid. De Hoge Raad stelde dat hun uiting onder het belijden van een godsdienst valt, maar dat ze over de schreef zijn gegaan en derhalve een onrechtmatige daad hebben gepleegd.

[8] De Wet openbare manifestaties delegeert bijvoorbeeld in artikel 3 aan de gemeenteraad. 

[9] J.M. de Meij e.a., Uitingsvrijheid, Amsterdam: Cramwinckel 2000, p. 212-213.

[10] Zoals het aanbrengen van een tekst in neonletters op een toren: HR 24 januari 1967, NJ 1967, 270.

[11] Kamerstukken II 1984/1985, 19 136. nr. 3, p. 53.

[12] Onder andere: film, toneel, expositie, concert, ballet, optreden van een cabaretier, optreden van een chansonnier. Maar ook productie, uitleen en verkoop van films, banden, grammofoonplaten, cd’s en uitingen of communicatie via het internet: J.M. de Meij e.a., Uitingsvrijheid, Amsterdam: Cramwinckel 2000, p. 214.

[13] Hier ga ik niet verder op in. Voor nadere uitleg: C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer: 2008, p. 434-442.

[14] Art. 120 Gw.

[15] A.J. Nieuwenhuis, Over de grens van de vrijheid van meningsuiting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2006, p. 287-289.

[16] Wij hangen immers een monistisch stelsel aan en bepalingen uit verdragen hebben derhalve directe werking, zoals gesteld in 93 Gw. 94 Gw stelt dat deze bepalingen ook boven nationale wetten staan.

[17] Voor nadere informatie over 9 EVRM: P. van Dijk e.a. (red), Theory and Practise of the European Convention on Human Rights, Antwerpen/Oxford: Intersentia 2006, p. 752-771.

[18] B.P. Vermeulen, ‘Religieus pluralisme als uitdaging aan de ‘neutrale’ rechter’, Trema 2005, p. 244.

[19] Voorbeeld hiervan: HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173 (Zusters Walburga). Hierin stelde de Hoge Raad dat er geen sprake was van het belijden van een godsdienst, aangezien er in de erotische activiteiten van de zusters niets religieus te bespeuren was.

[20] Te denken valt aan een prominente geestelijke die bij een religieuze instelling werkzaam is.

[21] B.P. Vermeulen, ‘Religieus pluralisme als uitdaging aan de ‘neutrale’ rechter’, Trema 2005, p. 245-246.

[22] Voorbeeld hiervan: HR 9 januari 2001, NJ 2001, 203 (Van Dijke). Waarin Van Dijke werd vrijgesproken voor zijn opmerking dat homo’s erger zijn dan dieven. Welke volgens de Hoge Raad een uiting is van de aan de Bijbelse opvattingen ontleende mening. 


Tags: Vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting
Artikel geschreven door: maurick.
Publicatie datum: 2012-06-24
Wil jij ook geld verdienen met artikelen schrijven? Meld je direct gratis aan!


dot

Reacties

U reageert als gast. Heeft u een account, log dan eerst in.

Typ de Captcha code over:

Plaats een reactie:


Categorieën

Gezondheid Financieel Elektronica Auto & vervoer Afvallen & dieet Reis & vakantie Internet & computer Wetenschap Relatie & liefde Hobby & werk Recepten Kunst & cultuur Huis & tuin Werkstuk/Essay/opstel Recensies Mijn eigen verhaal Sport Seksualiteit Zwangerschap Dier & natuur Verzorging & mode Opvoeding Feestdagen Overige Nieuws toen en nu Wonderlijk & bizar Verslaving