Wetenschappers hebben een groot aantal grootouders gevolgd die hebben deelgenomen aan de English Longitudinal Study of Ageing (ELSA). Hierin beantwoorden deelnemers vragen over hun leven en leggen zij cognitieve tests af over een aantal jaren. De resultaten tonen dat grootouders die regelmatig zorgden voor hun kleinkinderen gemiddeld beter scoorden op tests voor geheugen en taalvaardigheid dan grootouders die dat niet deden. Dit effect hing niet zozeer af van hoe vaak ze oppasten of welke activiteiten ze deden, maar vooral van het feit dat ze betrokken waren bij de zorg.
Het idee is dat het zorgen voor kleinkinderen het brein actief houdt. Wanneer je samen speelt, helpt met huiswerk of gewoon alert moet zijn op wat er om je heen gebeurt, dan vraagt dat om geheugen, aandacht en taalgebruik. Dat soort cognitieve inspanningen lijkt positieve signalen te geven aan de hersenen.
Bovendien laten diverse studies zien dat zowel mannen als vrouwen baat kunnen hebben van dergelijke betrokkenheid bij kleinkinderen als het gaat om cognitieve functies. Onderzoek in andere landen vond dat grootouders die vaker oppasten een betere cognitieve werking hadden dan peers die dat niet deden.
Neurowetenschappelijk onderzoek kijkt ook naar hoe het brein reageert op situaties rondom kleinkinderen. Wanneer grootouders foto’s zien van hun kleinkinderen, worden hersengebieden geactiveerd die te maken hebben met empathie, emotie en sociale motivatie. Dit soort reacties laat zien dat het brein ook op een meer fundamenteel niveau betrokken raakt bij de relatie met kleinkinderen.
Deze activatie wijst erop dat grootouders niet alleen praktisch denken tijdens het oppassen, maar dat ook sociale en emotionele processen een rol spelen. Dat kan indirect bijdragen aan hoe het brein werkt, omdat sociaal contact en emotionele betrokkenheid zelf vaak gekoppeld zijn aan cognitieve gezondheid.
In Nederland spelen grootouders een actieve rol bij de zorg voor kleinkinderen. Uit gegevens blijkt dat een groot deel van de Nederlandse oma’s en opa’s regelmatig oppast, vaak omdat ouders dit nodig hebben om werk en gezin te combineren. Veel grootouders geven aan dat het leuk is, al kan het ook wel eens zwaar zijn.
Onderzoek onder Nederlanders laat zien dat een groot deel van de grootouders het oppassen als plezierig ervaart, maar dat ongeveer één op de vijf het ook zwaar vindt. Onder hen voelt een deel zich verplicht om te helpen, wat een andere dynamiek kan geven aan de ervaring.
Naast sociale voordelen kan het oppassen ook een rol spelen in de alledaagse gezondheid. Ouderen die actief zijn en regelmatig contact hebben met anderen houden vaak ook lichamelijk en mentaal meer bewegingspatronen vast dan degene die dat minder hebben.
Hoewel veel studies een verband zien tussen oppassen en een bepaalde mate van beter functioneren bij cognitieve taken, moet je voorzichtig zijn met conclusies. Sommige oudere onderzoeken laten zien dat het verband niet zomaar causaliteit betekent. Mensen die fit en gezond zijn, zijn vaak ook degenen die eerder geneigd zijn om op hun kleinkinderen te passen, wat het moeilijk maakt om precies te zeggen wat de oorzaak en wat het gevolg is.
Daarnaast kunnen de ervaringen verschillen per persoon. Voor een deel van de grootouders kan het oppassen juist stressvol zijn, vooral als er geen duidelijke grenzen of afspraken zijn over tijd en energie. Stress kan een negatieve invloed hebben op zowel mentale als fysieke gezondheid.
Ook is het zo dat veel van het wetenschappelijke bewijs komt uit studies die niet per se in Nederland zijn uitgevoerd. Toch maakt de betrokkenheid van Tilburg University bij internationaal onderzoek het idee dat hier ook voor Nederlanders relevante inzichten worden verzameld.
Wanneer je als familie met elkaar bespreekt hoe de oppasrol verloopt, kan het helpen om te kijken naar wat prettig voelt voor iedereen. Afstemming over wanneer er wordt opgepast, hoeveel tijd dat kost en wat je samen doet kan het voor grootouders minder belastend maken. Het kan een manier zijn om het contact met de kleinkinderen te versterken en mogelijk ook de cognitieve betrokkenheid te vergroten.
Bovendien is het niet per se nodig om heel intensief oppaswerk te doen om een effect te merken. Juist de regelmaat en de sociale betrokkenheid lijken belangrijke factoren, meer dan alleen de intensiteit van de zorg.
Het contact tussen grootouders en kleinkinderen kan op meerdere niveaus waardevol zijn. Voor kleinkinderen is het vaak een bron van aandacht en steun, en voor de oudere generatie kan het helpen om actief te blijven in denken en sociale interacties. Dat maakt oppassen meer dan een praktische regeling; het is ook een sociale activiteit die het denkvermogen kan stimuleren.
Brein en verzorging zijn met elkaar verbonden op manieren die misschien verrassend lijken. Tijd doorbrengen met kleinkinderen blijkt niet alleen een kwestie van aandacht en zorg, maar kan ook samenhangen met cognitieve functies zoals geheugen en taalvaardigheid. Dat betekent niet dat oppassen een garantie is voor een scherper brein, maar het geeft wel inzicht in hoe sociale rollen en alledaagse activiteiten een rol kunnen spelen in hoe we denken en werken, zelfs op latere leeftijd.
De manier waarop je betrokken bent bij je kleinkinderen kan een verschil maken, niet alleen voor hen, maar mogelijk ook voor jezelf. Of je nu iedere week helpt of een paar keer per maand, het contact en de mentale betrokkenheid lijken een blijvende rol te spelen in hoe grootouders hun brein benutten en onderhouden.